Zaaknummer: 200406486/1
Datum van uitspraak: 23 februari 2005
Gemeente: Den Bosch
Trefwoorden: aanwijzing rijksmonument, beperkingen, ingewonnen advies
Relevante passages: gehele uitspraak
Hoofdlijn
Op basis van het ingewonnen advies heeft de staatssecretaris het Groot Ziekengasthuis in Den Bosch terecht als monument aan mogen wijzen. Hoewel niet alle onderdelen even beschermenswaardig zijn is sprake van ensemblewaarde die een aanwijzing rechtvaardigt. Er is geen sprake van onevenredige belemmering, aangezien de belangen van de eigenaren bij het aanvragen van een monumentenvergunning aan bod zullen komen.
Korte inhoud
Het complex Groot Ziekenhuisgasthuis (GZG) in Den Bosch werd in 2001 aangewezen als beschermd monument. Tegen de handhaving van dit besluit (rechtbank ’s-Hertogenbosch, 2004) werd door de eigenaren beroep ingesteld.
Het GZG werd in het Monumenten Selectie Project geselecteerd als beschermenswaardig monument. Het bestaat uit vier onderdelen, waaronder een ziekenhuis/klooster uit 1911 en een paviljoen uit 1915.
In eerste instantie adviseerde de gemeenteraad het paviljoen niet aan te wijzen, omdat dit is aangetast en de mogelijkheden tot herontwikkeling beperkt. Later werd alsnog het hele complex beschermenswaardig geacht.
Het college van GS van Noord-Brabant adviseerde ook positief en gaf daarbij aan dat juist het complex als geheel beschermenswaardig is. De Raad voor cultuur gaf hetzelfde advies, hoewel daarbij vermeld werd dat het paviljoen binnen het ensemble van ondergeschikt belang kan worden geacht.
Op basis van het bovenstaande heeft de staatssecretaris vervolgens het complex vanwege de ensemblewaarde en gaafheid ingeschreven als beschermd monument.
De eigenaren geven aan dat het complex onvoldoende monumentwaardig is. Een rapport uit 1999 zou dit bevestigen. Ook levert de aanwijzingen onaanvaardbare beperkingen op, terwijl herontwikkeling noodzakelijk is. De staatssecretaris zou daarom ten onrechte het algemene belang hebben laten prevaleren.
De Afdeling is van oordeel dat het besluit tot aanwijzing in overeenstemming met de Monumentenwet 1988 is genomen. Uit de ingewonnen adviezen kon geconcludeerd worden dat er sprake is van ensemblewaarde. Het rapport uit 1999 is van voor het aanwijzingsbesluit en is onvoldoende om de monumentwaardigheid te weerleggen. Er is daarna geen sprake meer geweest van een contra-expertise door de eigenaren.
Tot slot oordeelt de afdeling dat de belangen van de eigenaren niet worden geschaad. Een aanwijzing als rijksmonument betekent namelijk niet dat (ingrijpende) wijzigingen of zelfs sloop onmogelijk worden. De belangen kunnen verder worden afgewogen in de vergunningsprocedure. Ook was er geen sprake van plannen die zo concreet waren dat de staatssecretaris hier niet aan voorbij kon gaan.
Het hoger beroep is ongegrond en de aanwijzing tot beschermd monument blijft in stand.
Lees hier de volledige uitspraak op de website van de Raad van State.
