Zaaknummer: 200901881/1/R2
Datum van uitspraak: 13 januari 2010
Gemeente: Hellevoetsluis
Trefwoorden: arch. in bestemmingsplan, nader onderzoek, afwijken van 100 m², attentiegebied
Relevante passages: hele uitspraak
Hoofdlijn
Het college van GS van Zuid-Holland onthield goedkeuring aan het bestemmingsplan “Centrum” van de gemeente Hellevoetsluis vanwege een in het plan opgenomen afwijkend oppervlak (200 m²) waarboven advies over de archeologie benodigd is. De Afdeling oordeelt dat de gemeente onvoldoende onderzoek heeft verricht om een afwijking van de normale 100 m² te rechtvaardigen.
Korte inhoud
Het bestemmingsplan “Centrum” van de gemeente Hellevoetsluis werd in september 2008 vastgesteld. Het college van GS van Zuid-Holland onthield echter goedkeuring aan een deel van de planvoorschriften. Hierin is op gronden van het bestemmingsplan bouwen toegestaan wanneer dit niet dieper reikt dan 80 centimeter en een niet groter oppervlak van 200 m² beslaat. Wanneer dat wel het geval is dient de aanvrager van een bouwvergunning een schriftelijk advies van een archeologisch deskundige te hebben.
Volgens het college van GS is daarmee in het plan ten onrechte een afwijkende oppervlaktemaat aangehouden. De aangehouden 200 m² stemt niet overeen met de Monumentenwet van 1988 en de provinciale Handreiking Cultuurhistorische Hoofdstructuur Zuid-Holland. Afwijken van de (standaard) 100 m² is hierin alleen toegestaan met een motivering in de plantoelichting.
De gemeenteraad is van oordeel dat het college van GS niet bevoegd is op inhoudelijke gronden deze goedkeuring te onthouden, aangezien de afwijkende oppervlakte voldoende gemotiveerd zou zijn. Bovendien heeft de provincie het gebied niet als archeologisch attentiegebied aangewezen.
Uitleg van de wet
De Afdeling is van oordeel dat bij wet is gekozen voor het bestemmingsplan als instrument voor de archeologische monumentenzorg. In alle (opnieuw) vast te stellen bestemmingsplannen dient archeologie daarom een volwaardige plaats te krijgen. Hiervoor is een inventariserend onderzoek door de gemeente noodzakelijk. Wel is het volgens de Afdeling denkbaar dat een globale inventarisatie plaatsvindt, die uitgebreid wordt op het moment dat sprake is van concrete projecten. Een nader archeologisch onderzoek bij projecten is daarmee een aanvulling op de onderzoeksplicht van de gemeente.
Om te voorkomen dat kleine ingrepen hierbinnen vallen is in de wet opgenomen dat verstoringen van minder dan 100 m² buiten de onderzoeksplicht vallen. Bij vaststelling van het plan kan een gemeente vervolgens beslissen een meer beperkte of juist ruimere vrijstelling te hanteren, zodat maatwerk met betrekking tot het archeologisch beleid mogelijk wordt. Deze beslissing moet echter genomen worden op basis van een zorgvuldige inhoudelijke afweging. Hierop kan de gemeente vervolgens door de provincie op aangesproken worden.
Het aanwijzen van een gebied tot attentiegebied door de provincie kan volgens de Afdeling bevorderen dat archeologisch waardevolle locaties met voorrang worden beschermd. Het wel of niet aanwijzen van deze gebieden heeft echter geen invloed op de onderzoeksplicht van de gemeente.
Uitspraak
Op basis van het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat niet is gebleken dat de gemeente de afwijkende oppervlaktemaat voldoende heeft gemotiveerd. Hoewel vermeld is dat de opgenomen 200 m² onder voorbehoud van verder overleg is zijn bijvoorbeeld geen proefboringen gedaan en heeft de gemeente volgens de Afdeling onvoldoende onderzoeksgegevens.
Lees hier de volledige uitspraak op de website van de Raad van State.
