Naar de navigatie

Verplichte methoden

Milieueffectrapportage

Indien de met een bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten kunnen leiden tot nadelige gevolgen voor het milieu is in bepaalde gevallen een milieueffectrapportage (m.e.r.) verplicht. Cultureel erfgoed is dan een van de milieuaspecten waarover wordt gerapporteerd. Om te bepalen of de m.e.r. verplicht is, zie: Handleiding Milieueffectrapportage van Infomil

Alle drie de facetten van cultureel erfgoed komen in een m.e.r. aan de orde: archeologie, historische geografie en historische (steden)bouwkunde. De m.e.r. bestaat uit:

  • het bepalen van de waarde van een referentiesituatie met behulp van waarderingscriteria, parameters en statuswaarden. Bij het bepalen van een referentiesituatie kunnen Archeologische Datasystemen worden geraadpleegd.
  • effectbepaling van de geplande activiteiten (verandering van de referentiesituatie, met behulp van effectcriteria). De negatieve én positieve effecten op cultureel erfgoed kunnen vervolgens onderdeel worden van plan- of ontwerpalternatieven. De gestructureerde werkwijze waarmee een referentiesituatie en effectbepaling worden bepaald kan uiteraard ook buiten de m.e.r. procedure worden gebruikt

MKBA

Naast de verplichte m.e.r. staat de Maatschappelijke Kosten Baten Analyse (MKBA), waar vaak naar gevraagd wordt bij grote projecten die overheidsfinanciering vergen. In een MKBA worden de gevolgen voor welvaart van veranderingen in cultureel erfgoed in beeld gebracht: wie profiteert (of wordt belast) door een ontwikkeling en waaruit bestaat het profijt (of de belasting)? Mogelijke welvaartseffecten zijn verbetering van woongenot en bescherming tegen wateroverlast. Een MKBA kan resulteren in ideeën over functiecombinaties tussen cultureel erfgoed en andere ruimtelijke functies, bijvoorbeeld tussen cultureel erfgoed en recreatie. Dergelijke samenwerkingsvormen kunnen een belangrijk onderdeel worden van de ambitie cultureel erfgoed van een gemeente.

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed heeft een handreiking cultuurhistorie in de m.e.r. en de MKBA ontwikkeld met een methodiek om de waarde van cultureel erfgoed aspecten te analyseren. Ook is er een factsheet cultuurhistorie in de m.e.r. Rechts vindt u deze downloads.

Archeologisch vooronderzoek

Een publieke of private initiatiefnemer heeft een verplichting tot bodemonderzoek van een plangebied bij bodemverstorende initiatieven, volgens Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz). Volgens de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (Wamz art. 38a) is het verplicht om bij vaststelling van een bestemmingsplan en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten waarden. Indien het archeologisch onderzoek in het kader van een milieueffectrapportage wordt uitgevoerd, moet de planMER of projectMER procedure gevolgd worden.

Afhankelijk van de ruimtelijke situatie bevat het archeologisch onderzoek informatie over de historische stadskern, bebouwde kom en/of buitengebied.

Het vooronderzoek bestaat uit twee rapportages

  1. Bureau onderzoek: archeologische en aardwetenschappelijke vondsten en –verwachtingen, met indeling naar kansarme en –rijke zones. Hierbij wordt gebruikt gemaakt van Archeologische Datasystemen.
  2. Inventariserend Veldonderzoek (IVO), getrapt onderzoek: vindplaatsen opsporen aan de hand van zones, in kartering en waarderen.

Het resultaat is een oordeel over wat wel en wat niet behoudenswaardig is. Op basis van deze waardestelling kan een beleidsbeslissing worden genomen. Daarnaast kan het resultaat van gegevens over vondsten en verwachtingen gebruikt worden bij het bepalen van een cultureel erfgoed ambitie.

Een initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling doet archeologisch vooronderzoek, volgens de eisen van vergunningverlener. Voor het onderzoek geldt de kwaliteitsnorm, Nederlandse Archeologie; voor het IVO kan een Programma van Eisen worden gebruikt. Daarnaast kan provinciale wet- regelgeving en beleid een rol spelen (link naar provinciale verwachtingskaarten).

Links

Bouwhistorisch onderzoek

Bouwhistorisch onderzoek is van belang bij verandering van (een complex van) gebouwen. Sommige gemeenten verplichten het onderzoek bij bepaalde vergunningaanvraag. Er zijn drie varianten van bouwhistorisch onderzoek. De keuze voor een bepaalde vorm wordt in een Plan van Onderzoek vastgelegd.

  1. Bouwhistorische Inventarisatie: onderzoek naar structuren en bebouwing van een gebied, als onderdeel van uitgebreider onderzoek naar ruimtelijke opbouw van een gebied. Deze inventarisatie is input voor het opstellen van ruimtelijk beleid en verwachtingskaarten.
  2. Bouwhistorische Opname: onderzoek naar bouw en gebruiksgeschiedenis. Het onderzoek kan waardestellend zijn voor bijvoorbeeld restauraties en herbestemming.
  3. Bouwhistorische Ontleding: gedetailleerde documentatie van een object, wat als input voor bijvoorbeeld een verbouwing kan dienen.

De uitkomsten van bouwhistorisch onderzoek zijn van belang bij specifieke vergunningaanvragen, maar kunnen ook gebruikt worden bij het bepalen van een beleidsambitie voor cultureel erfgoed. Dit geldt met name voor de bouwhistorische inventarisatie. Sommige gemeenten hebben bouwhistorische waarden- en verwachtingskaarten met informatie over het (verwachte) belang van bebouwingsstructuren en elementen.

Voorbeelden