In de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is bepaald dat de omgevingsvergunning met betrekking tot een rijksmonument alleen kan worden verleend als het belang van de monumentenzorg zich daartegen niet verzet. Het toetsingskader is daarmee voor het eerst in een wet vastgelegd, maar het blijft hetzelfde als voor de invoering van de Wabo. Het gaat steeds om een belangenafweging, zoals dat al jaren staande praktijk is. Uitgangspunt zijn de monumentale waarden van het rijksmonument, maar ook het belang van de aanvrager, dat van derden en het gebruik van het monument wegen mee.
Voor gemeentelijke en provinciale monumenten staan de weigeringsgronden voor de omgevingsvergunning in de lokale of provinciale monumentenverordening.
Niet elke aantasting van de monumentale waarden van een monument hoeft te leiden tot weigering van de vergunning. Maar als de uitkomst van de belangenafweging is dat de omgevingsvergunning voor de monumentenactiviteit niet kan worden verleend, moet de omgevingsvergunning ook worden geweigerd voor eventuele andere activiteiten die er direct mee samen hangen. Dezelfde werkzaamheden kunnen onder de Wabo worden aangemerkt als verschillende activiteiten, zoals het bouwen van een uitbouw en het wijzigen van een monument.
