Naar de navigatie

Planvorming/Ruimtelijke Ordening Inhoud syndiceren

Hoe moet nu worden omgegaan met wettelijk beschermde monumenten?

Het is niet nodig in een bestemmingsplan een beschermende regeling op te nemen met betrekking tot wettelijk beschermde monumenten omdat dit al in de Monumentenwet 1988 is geregeld. Het verdient wel aanbeveling op de plankaart (eventueel als medebestemming) aan te geven dat er sprake is van een wettelijk beschermd monument. Uiteraard moet bij dubbelbestemming rekening worden gehouden met de eisen die het behoud van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden stelt.

Welke rol krijgen provincies met betrekking tot bestemmingsplannen in het licht van de nieuwe WRO?

Hiervoor kan het beste de website van het Ministerie van Infrastructuur en Milieu geraadpleegd worden.

Hoe kom je er als provincie (provinciaal archeoloog) achter welke bestemmingsplannen niet archeologievriendelijk zijn?

Om te voorkomen dat een analyse van alle in de provincie aanwezige bestemmingsplannen gemaakt moet worden is het verstandig de in de Memorie van Toelichting op het wetsvoorstel Archeologische Monumentenzorg omschreven systematiek te hanteren. Daarin wordt het volgende omschreven:

Het probleem ligt niet zozeer in de bescherming van archeologisch erfgoed in het bestemmingsplan maar in de praktijk; handhaving van beschermende regelingen blijkt zeer veel problemen op te leveren.

Dat wordt onderkend. Dit is onderdeel van een breder probleem: handhaving van bestemmingsplannen laat vaak te wensen over.

Kan ook het verlagen van de grondwaterstand onder een gebruiksverbod worden gebracht?

Om in het bestemmingsplan voorwaarden te scheppen voor een niet veranderende grondwaterstand is het beter in een aanlegvergunningstelsel werken die gericht zijn op het beïnvloeden van de grondwaterstand (zoals het graven of dempen van greppels of sloten) vergunningplichtig te maken. Aan het verlenen van een vergunning kan dan de voorwaarde worden gesteld dat bewezen moet worden dat er geen schade (meer) optreedt (onderzoeksplicht).

Met de wijzigingsbevoegdheid hebben B&W potentieel een mogelijkheid tot aanzienlijke (structurele) wijziging van het plan.

Het betreft hier uitsluitend een wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot dubbelbestemmingen. Na wijziging ligt er dus altijd nog een (onveranderde) primaire bestemming op het terrein. Dubbelbestemming is uitsluitend een middel om een aanleg- of bouwvergunningstelsel op de kaart aan te geven en daarmee afwegingen omtrent bouwactiviteiten te sturen en/of onderzoek af te dwingen.

Bij het koppelen van archeologisch onderzoek aan het verlenen van een bouwvergunning, zoals voorgesteld verlies je het zicht erop of het onderzoek daadwerkelijk wordt uitgevoerd.

In eerste instantie zal bij de voorbereiding van een bestemmingsplan al beoordeeld moeten worden waar de archeologische resten in situ behouden moeten blijven en waar behoud ex situ mogelijk is. In dit laatste geval kan in de bestemmingsplanvoorschriften een onderzoeksverplichting worden opgenomen.

Voorschrift 4.2.1. lid 2 onder a biedt de mogelijkheid om zonder archeologisch onderzoek een bestaand gebouw te ver- of nieuwbouwen.

Deze bepaling is opgenomen om te voorkomen dat voor kleine ingrepen archeologisch onderzoek ook verplicht wordt gesteld. Als het in de concrete gemeentelijke situatie ongewenst is dat de bovenstaande situatie zich voordoet kan deze bepaling weggelaten of aangepast worden.

Is een totaal bouwverbod niet erg streng?

Per geval zal moeten worden afgewogen of de mogelijkheid bestaat dat kleine ingrepen buiten het bouwverbod gelaten kunnen worden.

De voorbeeld-voorschriften gaan uit van een bouwverbod, omdat gebruik wordt gemaakt van een binnenplanse vrijstelling. Het zou handiger zijn een bestemming woondoeleinden ‘met’ en een bestemming ‘zonder’ archeologische waarden te hanteren.

Een gemeente moet zelf afwegen op welk moment zij onderzoek wil (laten) uitvoeren. Om bestemmingen met en zonder archeologische waarden te hanteren moet al bekend zijn waar die waarden liggen, met andere woorden, er moet al karterend en waarderend onderzoek zijn uitgevoerd. Bij een ontwikkelingslocatie is dit goed mogelijk maar een gemeente zal in geval van een consoliderend bestemmingsplan er toch meestal voor willen kiezen archeologisch onderzoek uit te stellen tot het moment dat er daadwerkelijk bouwactiviteiten plaatsvinden.

Er wordt uitsluitend gesproken van een wijzigingsbevoegdheid met betrekking tot de bestemming ‘archeologisch waardevol gebied’.

Ook bij wijzigingsbevoegdheden die niet voortvloeien vanuit het archeologisch belang kan, indien dat nodig is vanuit het oogpunt van archeologische monumentenzorg, een bepaling worden opgenomen dat van deze wijzigingsbevoegdheid alleen gebruik wordt gemaakt indien uit onderzoek is gebleken dat eventuele archeologische waarden niet worden aangetast.

Er wordt gesproken over de provinciaal archeoloog. Niet alle provincies hebben een provinciaal archeoloog. Ook is er in sommige provincies weerstand tegen het ‘monopolie’ op advisering dat een provinciaal archeoloog zou krijgen.

Het gaat hier om advisering aan het gemeentebestuur in het kader van de besluitvorming over de aanlegvergunning. Het staat provincies en gemeenten uiteraard vrij een eigen afweging te maken of zij nadere advisering nodig vinden en door wie deze advisering moet plaatsvinden. Burgemeester en wethouders kunnen hiervoor leunen op de deskundigheid van een ander bestuursorgaan of bijvoorbeeld de eigen monumentencommissie aanwijzen.

Het voorbeeld-aanlegvergunningstelsel zoals genoemd in het rapport archeologie en bestemmingsplannen biedt onvoldoende bescherming voor archeologische waarden

Iedere archeologische en ruimtelijke situatie kan andere eisen stellen. Het is dus altijd mogelijk meer of minder beperkingen aan het grondgebruik op te leggen.

Wie bepaalt welke archeologische terreinen geselecteerd worden voor inpassing in het plan/behoud?

Er wordt onderscheid gemaakt tussen selectieadvies en selectiebesluit. Het selectieadvies wordt gegeven op basis van archeologisch-inhoudelijke argumenten (conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA)). Dit advies kan bij rijksprojecten en/of rijksbelang gegeven worden door de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Bij veel andere (bestemmings)plannen kan het selectieadvies door de provinciaal archeoloog gegeven worden. Daarnaast kunnen archeologische (advies) bureaus een selectieadvies geven.

Wat is de meerwaarde van het laten opstellen van een Programma van Eisen (PvE)?

Als een opdrachtgever een offerteaanvraag voor onderzoek vergezeld doet gaan van een PvE zijn de offertes beter vergelijkbaar. Als het PvE is beoordeeld door een instantie die in het kader van een ruimtelijke ordenings-procedure goedkeuring aan het plan moet verlenen (meestal de provincie) dan is de kans groot dat in ieder geval de uit het onderzoek verkregen informatie adequaat is. Dit geldt des te meer omdat deze instantie in een later stadium van de planprocedure beslist over het al dan niet goedkeuren van het plan, op basis van de uit het onderzoek verkregen informatie (zie ook art.

Mag een gemeentelijke archeologische dienst van een aangrenzende gemeente onderzoek uitvoeren?

De opgravingsbevoegdheid van een gemeentearcheoloog strekt zich meestal alleen uit tot de grenzen van de gemeente waar hij is aangesteld. Als een naastliggende gemeente deze archeoloog wil laten opgraven binnen haar gemeentegrenzen, dan moeten de gemeentes hierover een samenwerkingsovereenkomst sluiten.

Wil de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een Programma van Eisen (PvE's) toetsen?

De Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed toetst PvE's bij wettelijk beschermde monumenten, voor bedrijven die onder een projectvergunning opgravingsbevoegdheid werken en voor partners waarmee de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed een convenant heeft afgesloten. In een aantal gevallen bekijkt de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed PvE's.

Wij moeten archeologisch onderzoek laten uitvoeren. Hoe gaat dat in zijn werk?

In het 'stappenplan' wordt aangegeven welk traject bij planvorming bewandeld moet worden als het gaat om het inpassen van archeologische waarden en verwachtingen. Het is van groot belang om in een zo vroeg mogelijk stadium van de planvorming rekening te houden met de archeologische waarden en verwachtingen en wel voordat men aanvangt met de globale invulling van een plangebied. Het stappenplan gaat uit van een brede inventarisatie van wat er bekend is over de archeologische waarden.

Wij willen een bestemmingsplan maken voor een bepaald gebied; kunt u mij vertellen of daar ook archeologie zit en welke vervolgstappen moeten wij zetten?

Hier kan iedereen zelf een uitsnede van de AMK (Archeologische Monumenten Kaart) en de IKAW (Indicatieve Kaart Archeologische Waarden) downloaden. Op verzoek kan de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed deze kaarten toesturen, met uitleg hoe ze gebruikt moeten worden. Voor de vervolgstappen kan het 'stappenplan' gevolgd worden. Tevens is hier het rapport 'Archeologie en bestemmingsplannen’ te downloaden.